Leerzame Verhalen uit de Geschiedenis van Landen, Menschen, en het Rijk der Natuur
1824

Groote reizen van den Kapitein Cook. Deel 2          Main Page               Deel1            Home

De Wilden hadden altoos den grootften fchrik bij het afvuren der kanonnen en geweren getoond, maar dezen keer
kon men, tot groote verbazing hunner vijanden, geen het minfte teeken van vrees bij hen befpeuren. Kapitein Cook
wenktezijne lieden, om met fchieten op te houden, en beval de manfchap, die in de booten was, nader te komen
en de zeefoldaten aan boord te nemen. Dit bevel werd door den bevelvoerenden officiervan de Pinas gehoorzaamd,
maar niet door dien van de groote boot. Want deze, in plaats van nader bij land te komen, verwijderde zich van het
ftrand, en beroofde daardoor den ongelukkigen kapitein van het eenig middel ter zijner redding. De Eilanders,
getergd tot woede door het vuur der zeefoldaten, drongen op deze in en dreven hen in zee, zoo dat de kapitein alleen
was aan het ftrand overbleef. Uit de beide booten werd, wel is waar, onophoudelijk gevuurd, maar de eene was te ver
verwijderd, en de andere zoo opgevuld met volk, dat hetzelve aan hun vuur niet de behoorlijke rigting konde geven.
Nu zag men, dat de kapitein met het geweer onder den arm den weg nam naar de Pinas, terwijl hij met de andere
hand zijn hoofd van achter tegen de fteenworpen trachtte te befchutten. Een Wilde volgde hem maar als fchroom-
vallig achterna, daar hij eens of twee maal ftil flond, naar allen aanzien befluiteloos, of hij voorwaarts gaan wilde of
niet. Eindelijk floeg hij den kapitein met eene knods achter op het hoofd, en liep toen ijlings weg. Kapitein Cook
ging wankelend nog eenige fchreden, zonk toen op eene hand en eene knie neder, en liet het geweer vallen. Voor
hij zich herftellen kon, ftiet een andere Wilde hem met eenen dolk in den hals, zonder hem echter te dooden. Daar-
op viel hij tot aan de knieën in eenen waterpoel, waar de Wilden met geheele drommen op hem aanvielen; maar
nog altoos verdedigde hij zich met alle krachten, beurde het hoofd op, en zag om naar de Pinas, alsof hij hulp
verwachtte. Nog een maal hief hij zich, zigtbaar afgemat, op, toen een eilander hem voor de tweedemaal met eene
knds trof, hetgeen waarfchijnlijk een einde maakte aan zijn leven. De inboorlingen fleepten toen zijn lijk naar eene
rots, en mishandelden hetzelve op de gruwzaamfte wijze. Zelfs de verminkte overblijffelen van dezen beroemden
reiziger kon men de handen dier barbaren niet ontweldigen.

Maar hoe liep het af met zijne reisgenooten? Hun gevaarlijke toeftand verhinderde hen zich te wreken. Zij zonden
twee booten aan land om het lijk van den bevelhebber en van den gedooden zeefoldaat te eifchen; maar zij moesten
onverrigter zake terugkeeren. Den volgenden dag kwamen des avonds twee priesters in eene kano aan boord, en
bragten een gedeelten van het lijk des kapiteins. Het overige, zeiden zij, was onder de voornaamften van het eiland
verdeeld. In vertrouwen gaven zij aan de Engelfchen bericht, dat hunne landgenooten een plan beraamd hadden,
om den dood van hunne in dien ftrijd gefneuvelde krijgslieden te wreken, en dat zij dus op hunne hoede zijn moesten.
De officieren der fchepen befloten hierop af te zeilen; maar, daar zij gebrek aan water hadden, zonden zij een ge-
deelte der manfchap aan land om de watervaten te vullen. De Eilanders zochten hen hierin op alle mogelijke wijzen
te verhinderen; plaatften zich achter hagen en muren die hunne hutten omringden, en wierpen van daar naar hen met
fteenen. Uit noodweer gaven thans de officieren last de hutten, die het aan het ftrand ftonden, te verbranden; maar
hun bevel werd overtreden, en de geheele ftad in de asch gelegd. De Engelfche bevelhebbers waren hierover des te
meer verftoord, daar de woningen der beide priesters, die hun zulk eenen gewigtigen dienst bewezen hadden, met al
derzelver bezittingen insgelijks eene prooi der vlammen geworden waren.

Eindelijk vond er eene verzoening plaats. De koning des eilands zond afgevaardigden met nog meer overblijffelen van
den ongelukkigen kapitein, die men alle in eene kist legde en met de gewone eerbewijzen in zee verzinken.
Zoo ftierf een der beroemdfte zeereizigers, die de wereld  ooit gekend heeft, en aan wien wij de nadere ontdekking
van een tot dien tijd toe bijna geheel onbekend werelddeel, Auftralië, te danke hebben.