Leerzame Verhalen uit de Geschiedenis van Landen, Menschen, en het Rijk der Natuur
1824
![]() Uit de natuurlijke gefchiedenis weet gij, dat men de parelen in eene
foort van mosfelen vindt, die op eenen rotsachtigen bodem der zee
vast zitten. In weerwil van allen onderzoek weet men echter nog niet,
hoe deze parelen ontftaan.
Sommigen meenen, dat zij het gevolg zijn van eenen ziekelijken
toeftand van den fchelpvisch; anderen denken, dat zij voortkomen van
eene taaije, kleverige ftoffe, welke het dier binnen zijne fchelp ontlast,
en die zich allengs verdikt.
Parelen werden ten allen tijde zeer gezocht, want de mensch, niet
tevreden met de gaven, welke de natuur hem op de oppervlakte der
aarde rijkelijk fchenkt, dringt zelfs door tot in de diepte der zee en
trotfeert de grootfte gevaren, om aan zijne hebzucht te voldoen.
Het meest vindt men de parelmosfelen tusfchen het eiland Ceylon en
Kaap Komorin, en de handel in parelen, welke aldaar gedreven wordt,
is voor Indië van het hoogfte belang. De zeebodem, op welks gronden
zich de voornaamfte banken der parelmosfelen bevinden, is wegens
zijne rotfen en branding ten uiterfte gevaarlijk. Gij kunt gemakkelijk
naargaan, dat er groote geoefendheid en ook niet minder moed toebe-
hoort, om zich op zulk eene gevaarlijke plaats midden in de fchuimende
golven te florten, en in de afgronden der zee neder te dalen. Daarom
worden de lieden, van welke men zich dit tot einde bedient, reeds van hunne vroegfte jeugd af aan daartoe opgeleid;
zij oefenen zich in het duikelen, en trachten zoo lang mogelijk onder water te blijven. Eenigen tijd voor den aanvang
van de parelvisfcherij, welke gemeenlijk in het voorjaar en wel in April plaats heeft, houden de duikelaars eene buiten-
gewoon matige levenswijze, en wrijven hun ligchaam veelvuldig met olie. In kleine booten varen zij met zonnen opgang
naar de parelbanken, die dikwijls vijf, zes tot tien mijlen van de kust verwijderd zijn; zij floppen de ooren met katoen in
olie gedoopt,en zetten op den neus eene klem, die van hoorn gemaakt is, om het indringen van het water te verhoeden.
Om de lendenen maken zij een lang touw vast, waarvan het ander einde aan de boot wordt bevestigd, en aan de voeten
hangen zij een gewigt van tien tot vijftien Nederlandfche ponden, om des te fneller te zinken. Van eenen zak en een
mes voorzien ftorten zij zich in zee. Zoo fchielijk mogelijk verzamelen zij de mosfelen, die aan de rots zitten, en wan-
neer zij het niet langer uithouden kunnen, geven zij door het touw aan hunne makkers in de boot een teeken, laten
zich optrekken, en worden door anderen vervangen. Bij hunne terugkomst aan land worden de parelmosfelen aan
de zon blootgefteld, tot dat de buitengewone hitte van dat luchtsgeftel het dier doot en de fchelpen zich van zelf ope-
nen.
Dikwijls vindt men in eene fchelp tien of twaalf parelen, die zorgvuldig gezuiverd, en naar hare grootte gerangfchikt
worden. De grootfte en blankfte worden in Europa zeer duur betaald, en de fchelpen worden onder de naam van
paarlemoer verkocht. De parelvisfcherij in die ftreken was in vroegere tijden zeer beroemd; zij was flechts zeer
zeldzaam, en gaf aanleiding tot groote feesten. Uit gansch Asië verzamelden zich alle kooplieden, die in in deze
waar handel dreven, aan het ftrand, waar zij tenten opfloegenen gedurende de visfcherij vertoefden. Deze vereeniging
van menfchen uit zoo verfchillende landen, de verfcheidenheid hunner kleeding, en de visfcherij zelve, die met de
grootfte plegtigheden ondernomen werd. leverden een in zijnen aard eenig fchouwfpel op.
In oude tijden was men insgelijks in de kunst van duikelen zeer ervaren. Aan boord van elk fchip waren een of meer
duikelaars, die dingen, welke bij toeval in zee vielen, uit de diepte der zee weder moesten ophalen. Op het eiland
Rhodus kregen de duikelaars altijd een gedeelte van hetgeen zij uit verongelukte fchepen redden. Maar zij werden
ook tot andere dienften gebezigd. Zoo leest men, bij voorbeeld, bij QUINTUS CURTIUS in zijne gefchiedenis van
Alexander den Grooten, dat, toen deze krijgsheld Tyrus belegerde, en buitengewoon groote dammen aan legde, om
de haven dezer ftad ftad te fluiten, de Tyrifche duikelaars onder water doken, om de grondflagen, dezer dammen met
lange ijzeren haken te verwoesten. Ook de Syrakufers bedienden zich in den oorlog van duikelaars, om vijandelijke
fchepen en aan zee liggende vestingwerken te vernielen. Er waren te dier tijde ook reeds menfchen, die naar den
bodem der zee doken, om fchelpdieren en fponfen te verzamelen. Zij leidden een bekrompen leven, aten en dron-
ken zeer fpaarzaam, om zich voor deze bezigheid regt gefchikt te maken. De bewoners van het Spaanfche eiland
Minorka zijn zulke bekwame duikelaars, dat zij niet eens de bovengenoemde voorzorgen behoeven te nemen.
ga naar deel 2
|
||