Leerzame Verhalen uit de Geschiedenis van Landen, Menschen, en het Rijk der Natuur
1824

Sledevaart met Honden                              Main Page                                    Home

Het klein gezelfchap zat weder vertrouwelijk bij elkander, en de kinderen verzochten den vader hun iets van de flede-
vaarten met honden te verhalen, waarvan zij voor eenige dagen eene afbeelding gezien hadden.
Slechts in de noord-oostelijke provincien des Rusfifchen rijks, welke aan de IJszee grenzen, gelijk Kamfchatka, zijn
zij in gebruik. Aldaar zijn de inwoners er toe genoodzaakt, omdat de fneeuw er in zulk eene menigte valt, dat zij van
gewone fledendoor paarden getrokken zich niet bedienen kunnen; ja fomwijlen ligt de fneeuw er zoo hoog, dat zij zich
onmogelijk eenen weg door dezelve banen kunnen. Dikwijls moeten zij vloeden overtrekken, van welke het ijs zwak
is en geene zware lasten dragen kan. Daarenboven is de grond te onvruchtbaar, om voedfel voor de paarden op de
leveren. Alle deze oorzaken bragten het gebruik van zeer ligte fleden, die met eene fterke en vlugge foort van honden
befpannen worden, tot ftand. Daar ik nooit die woeste ftreken bezocht heb, zoo bepaalt zich alles, wat ik van deze
manier van reizenweet, tot de befchrijvingen van verfchillende reizigers. Wie zoude ook lust hebben om een land
door te reizen, waar de onbefchaafde en ruwe inboorlinge in ellendige, morfige huttenleeft, een land, waarin men
verfcheidene dagen reizen kan, zonder een levendig wezen of eene menfchelijke woning aan te treffen, en waar men
gevaar loopt, om of van honger te fterven of in de grenzenlooze woestijnen te verdwalen.

Zijn de honden, van welke men zich bedient, grooter dan de onzen? Neen! Zij zijn bijna van dezelfde grootte als onze
gewone honden, behalve dat zij hooger op de pooten zijn, eenen grooteren kop en grof haar hebben. Zij worden jong
tot dit werk afgerigt, en daardoor aan het trekken gewoon, dat men hun voeder op eenen aanmerkelijken afftand zer
van de plaats, waar zij ingefpannen ftaan, zoo dat zij, om het te bekomen, eene groote zwaarte uit alle krachten
trekken moeten.

Zulk een hond kan, indien hij de behoorlijke grootte verkregen heeft, vijftig Nederlandfche ponden trekken, en met zulk
eene vracht dagelijks zeven, tien, ja zelfs vijftien Duitfche mijlen aflegging. De fleden zijn wel is waar zeer ligt gemaak,
en dikwijls fpant men bij gunftigen wind een zeil uit, om de fnelheid te vermeerderen. De voerlieden plaatfen zich aan
de zijde van de flede, en nemen de vrachtgoederen of pakken tusfchen zich in. De honden worden twee aan twee
naast elkander gefpannen, behalve den fterkften, die alleen den disfelboom fluurt. Om de arme dieren niet zoo zeer aan
de vorst bloot te ftellen en hunne pooten te bewaren, trekt de Kamfchadaal hun eene foort van laarzen aan van rendie-
renvel gemaakt. Zoo reist men in die oorden, en de voornaamfte behoefte bij zulk eene reis is een goede voorraad van
levensmiddelen.

Zijn er dan geene herbergen aan de wegen? Volftrekt niets van dat alles. De reiziger mag zich gelukkig achten, indien
hij na eene vaart van verfcheidene dagen eene ellendige hut vindt; gewoondlijk moet hij de nachten midden in de fneeuw
doorbrengen; hij graaft eene groef in dezelve, waarin hij liggen kan en wikkelt zich in zijne pels.
Kan men toevallig hout vinden, dan wordt er een groot vuur geftookt. Bij het aanbreking van den dag wordt de togt op ge-
lijke wijze voorgezet. Daar er geene gebaande wegen zijn, en er dikwijls geen menfchelijk wezen te sien is, dwalen de
reizigers ligtelijk van den regten weg af. In dit geval is het beste middel de honden maar dien weg te laten volgen, dien
zij uit eigen beweging inflaan; want zij hebben zulk eenen fcherpen reuk, dat zij op zeer verren afftand menfchelijke
woningen befpeuren.

Alle inwoners van Kamfchatka houden een aantal honden, die zij des zomers vrij rondloopen laten, en tegen het begin
des winters opvangen, om zich van dezelve voor hunne fleden te bedienen. Dan leggen zij dezelve vast aan palen digt
bij hunne ellendige hutten, en voeden ze met gedroogden  en bedorven visch, maar zorgen wel, dat zij hun niet te veel
geven, naardien lijvigheid hen in het trekken hindert. In Kamfchatka worden de honden zoo zeer geacht, als bij ons de
paarden; ook zijn waarlijk aldaar van dezelfde, zoo niet van nog hoogere, nuttigheid. Een geloofwaardig  reiziger geeft
de volgende befchrijving van zulk eenen togt. Gedurende mijn verblijf in Kamfchatka leerde ik de ingefpannene honden
fturen, wijl men in dat land op geene andere manier reizen kan. Mijn rijtuig was eene flede van buitengewone lengte,
zoo dat ik met gemak lang uit in dezelve ligging en haar des nachts als bed gebruiken kon. Voor deze flede waren
niet minder dan zeven en dertig  honden gefpannen. Daar ons reisgeselfchap uit dertig fleden beftond, zoo hadden wij
in het geheel bijna drie honderd honden. In het begin van onzen togt  legden zij elke vijf uren negen Duitfche  mijlen af;
maar na verloop van veertien dagen was de medegenomene voorraad van voeder bijna op, er begon gebrek te komen,
en het grootfte gedeelte dezer arme dieren moest van honger fterven. Naauwelijks viel er een dood ter nader, of hij werd
oogenblikkelijk van de overigen verflonden, die om deszelfs beenderen vochten. Zoo zeer folterde hen de honger, dat
zij aan de riemen, met welke zij ingefpannen waren, knaagden, en dat wij groote moeite hadden, om onze perfonen
tegen hunne vraatzucht te beveiligen. Dagelijks verminderde het getal dezer uitgehongerde dieren, tot dat er ons
eindelijk niet meer dan twintig overbleven. Dit noodzaakte ons halt te houden en eenigen van ons om hulp af te zenden,
welke wij dan ook gelukkig kregen. Dit reiberigt kan ons insgelijks van den ellendigen toeftand dier ftreken eenig denk-
beeld geven.

Maar hoe is het mogelijk, dat aldaar menfchen leven kunnen? Er heerscht wel zes maanden lang onafgebroken een
ftrenge winter, maar de inwoners weten dien te verdragen en zich hun onderhoud te verfchaffen. In vroegere tijden
hadden zij afzonderlijke zomer en winterwoningen. De laatfte waren onder de aarde en hadden flechts eene enkele
opening, die voor fchoorfteen, deur en venfter tevens geheele huisgezinnen met hun vee onder elkander, en bragten den
winter in de grootfte morfigheid door. Dit bewoog de Rusfifche regering, onder welker beftuur het land ftaat, het aanleg-
ging van zulke onderaardfche woningen te verbieden. Die er waren, werden grootendeels verwoest, en de inwoners
werden genoodzaakt hutten boven den grond te bouwen.